Karolus Casimier

Ik ben Karolus Casimier

En ben verzot op klimmen

Ik doe het louter voor ’t plezier

Eerst klim ik daar en dan weer hier

Tot moeder me vraagt te dimmen

Denk maar niet dat ik er mee stop

Ik klim vrolijk verder maar dan op z’n kop

 

Hoe goed ik wel niet klauter

Dat is waar het om gaat

Voor iemand van ’t formaat kabouter

Ben ik stout en zo niet stouter

Ma durft niet met me over straat

Want toen wij laatst naar de kapper gingen

Stond ik erop de hoogste boom te bedwingen

 

Het was een populier dit keer

Persoonlijk een primeur

Ik ging echt als een speer

Een meter of zestig (ongeveer)

Al ging het ten koste van moeders humeur

Want zij sloeg nu een flater

Die afspraak bij de kapper, dat werd nu allicht wat laten

 

Moeder stond te razen en te tieren

En ik werd steeds relaxter

De populier zat vol met dieren

Die een verjaardag gingen vieren

Het feestbeest was een ekster

Hij zat in een wirwar van takken

Een hele berg cadeautjes uit te pakken

 

Van de eekhoorn heel lief een horloge van goud

Een diamanten ring van de meeuwen

Een zilveren stel voor peper en zout

Werd door z’n vrouw in zijn klauwen gedouwd

Toen hoorde ik moeder weer schreeuwen

Snel naar beneden, steeds vlugger en rapper

We waren tenslotte op weg naar de kapper

 

Ik ben Karolus Casimier

En klim dus als de beste

Al zit het moeder wel tot hier

Al dat geklim, geklauter en geklier

Ik doe het niet om haar te pesten

Ik hou nu eenmaal van klauteren en klimmen

Zoals eksters houden van spullen die glimmen

Reacties gesloten